Ruimtelijke ordening

De vanaf 1803 zelfstandige gemeente Goirle, heeft een oppervlakte van ruim 2544 ha en wordt begrensd door de gemeenten Alphen en Riel, Tilburg, Hilvarenbeek en Poppel.
Vanaf de tijd dat Goirle nog deel uitmaakte van het hertogdom Brabant, tot aan de totstandkoming van de rijksweg Tilburg-Turnhout in 1853 zou er weinig veranderen in het straten- en wegenplan van het dorp.
De waarschijnlijk oudste bebouwing werd begin tachtiger jaren van vorige eeuw aangetroffen in het gebied van de vrij hoog gelegen Grote Akkers, wat overeenstemt met de huidige inzichten van de medewerkers van het zogenaamde Kempenproject, die ontdekten dat in de periode 1000-1300 veel nederzettingen abrupt verlaten werden om verplaatst te worden naar lager gelegen gebieden, in de richting van de beekdalen. Een van de oorzaken van de verplaatsing kan de extreme droogte geweest zijn, waarmee ons gebied vanaf de 10e eeuw te kampen had. In Goirle ontstaan door de verschuiving in de richting van de Leij de wijken of herdgangen Abcoven en Kerk, en ten westen van de Grote Akkers vinden we de herdgangen Dorp en Ven.

Links het pand op de hoek van de Dwarsstraat, in 1905 gebouwd naar het plan van architect J.B. Rens in opdracht van bakker Leonardus C. Spapens. Volgens dit plan werd de bakkersoven gebouwd aan de achterzijde van het huis aan de Kloosterstraat. In 1919 werd het pand ingrijpend verbouwd: de bakkerij werd bij het woonhuis getrokken en een nieuwe bakkerij werd gebouwd aan de Dwarsstraat. Deze bakkerij is later nog verschillende keren verbouwd, onder andere door opvolger Cornelis Spapens-Maes. Rechts de ingang van de Koude Pad. Links hiervan woonde wethouder Piet Vermeulen, rechts kleermaker Janus van Diem. In het pand geheel rechts woonde de familie Van Dun-Snels.
Kloosterstraat. Links het pand op de hoek van de Dwarsstraat, in 1905 gebouwd naar het plan van architect J.B. Rens in opdracht van bakker Leonardus C. Spapens. Volgens dit plan werd de bakkersoven gebouwd aan de achterzijde van het huis aan de Kloosterstraat. In 1919 werd het pand ingrijpend verbouwd: de bakkerij werd bij het woonhuis getrokken en een nieuwe bakkerij werd gebouwd aan de Dwarsstraat. Deze bakkerij is later nog verschillende keren verbouwd, onder andere door opvolger Cornelis Spapens-Maes. Rechts de ingang van de Koude Pad. Links hiervan woonde wethouder Piet Vermeulen, rechts kleermaker Janus van Diem. In het pand geheel rechts woonde de familie Van Dun-Snels.

Van deze nogal ver van elkaar gelegen woonkernen zou de herdgang Kerk al vroeg het centrale punt gaan vormen; daar stond – de naam zegt het al – de kerk, daar woonde de geestelijkheid en bevond zich het schoolhuis en later het gemeentehuis. Ook de aanwezigheid van ‘de plaetse’ in deze herdgang duidt op een centrale functie. Vanuit de andere herdgangen liepen kerkwegen naar de herdgang Kerk, maar langs deze wegen bleef de bebouwing maar zeer spaarzaam. Zo stonden bijvoorbeeld aan de Kerkweg – de huidige Kloosterstraat – de verbindingsweg tussen de wijken Dorp en Kerk, in 1830 maar een vijftal huizen.

In 1753 telde het dorp 132 woningen ‘daeronder begrepen kleijne hutten en keten’ en maar een paar ‘stadsgewijze getimmerde huijzen’. Vreemdelingen vinden Goirle dan ook niet aantrekkelijk. Dominee Hanewinkel zegt op het einde van de 18e eeuw dat ‘er niets opmerkelijks’ te bekijken is. De auteur A.C. Brock schrijft dat Goirle ‘geen schoon dorp’ is, ‘de huizen liggen er te zeer verspreid’. Opmerkelijk is dat in 1950 nog steeds geconstateerd wordt dat de gemeente bouwkundig weinig fraais te bieden heeft. Met de aanleg van de rijksweg Tilburg-Turnhout verbeterde de infrastructuur in het dorp. Op aandrang van het gemeentebestuur en de fabrikanten werd deze verharde weg door Goirle gepland, waar dus in 1853 twee nieuwe straten ontstonden, namelijk het gedeelte van de Tilburgseweg vanaf de kerk naar de herberg van de familie Anssems (hoek Dorpsstraat) en vanaf de Berg naar de grens, de Poppelseweg. De benodigde heidegronden voor de aanleg werden door het gemeentebestuur gratis afgestaan ‘uit besef van het voordeel’.

Dit gedeelte van de Tilburgseweg werd pas aangelegd in 1853, dwars door de Kerkakkers en maakte onderdeel uit van de rijksweg van Tilburg naar Turnhout. De gemeente stond de benodigde grond voor het einde van de 19e eeuw af.
Dit gedeelte van de Tilburgseweg werd pas aangelegd in 1853, dwars door de Kerkakkers en maakte onderdeel uit van de rijksweg van Tilburg naar Turnhout. De gemeente stond de benodigde grond voor het einde van de 19e eeuw af.

Als na 1850 de bevolking van Goirle flink begint te groeien, wordt voornamelijk gebouwd langs de oude kerkwegen en langs de nieuw aangelegde Tilburgseweg. Vooral het aantal arbeiderswoningen nam sterk toe, maar de voornaamste initiatiefnemers tot de bouw waren de fabrikanten en de landbouwers. Op het einde van de 19e eeuw begon men ook te bouwen langs bestaande akkerwegen als de Molenstraat (aachter de heuf), Groeneweg en Koude Pad.
Inmiddels was ook de infrastructuur verder verbeterd. In 1867 kwam de eerste straatverlichting, in 1871 werden de Dorpsstraat en de Kerkstraat verhard en even later de Kloosterstraat. Het geld dat hiervoor nodig was, verkreeg de gemeente door verkoop van de Overheide aan baron de Zerezo de Tejada. Met rijkssubsidie werden in 1897 de wegen van Goirle naar Riel en naar de Tilburgse wijk Broekhoven verhard. Aan de woningbouw werd een nieuwe impuls gegeven door de woningwet, die in 1901 tot stand kwam en waardoor het mogelijk werd om met rijkssteun woningen te bouwen en de volkshuisvesting te verbeteren. Dit resulteerde in Goirle in het ontstaan van twee bouwverenigingen met sociale woningbouw als doelstelling. In 1911 werd woningbouwvereniging Arbeidersbelang opgericht en een jaar later, op initiatief van de r.k. Werkliedenvereniging, woningbouwvereniging St. Jan Baptist. Ieder lid van de werkliedenvereniging kon aandeelhouder worden door het storten van 10 Gulden. Inmiddels werd door de gemeente het eerste ‘bestemmingsplan’ ontwikkeld, namelijk het plan Kerkakkers. Vooral raadslid Vermeulen was een groot voorstander van dit plan en hij adviseerde de raad om in de Kerkakkers een groot perceel grond aan te kopen voor de realisering van het eerste plein in Goirle. Dit plan ging niet door, maar wel werd de gemeente eigenaar van de weggedeelten van de door particulier initiatief aangelegde Kalverstraat en Nieuwstraat.

Nadat de inspecteur van de Volksgezondheid het gemeentebestuur gewezen had op het feit dat gemeentewoningen gebouwd konden worden met rijksvoorschot, mits deze huizen gebouwd werden zonder bedsteden in de huiskamer en met een stookplaats in de keuken, gaf de gemeente opdracht tot de bouw van woningen in de Hoogstraat en de St. Jansstraat (Wildakkers) en in de verlengde Molenstraat. In het nieuwe plan Wildakkers werd ook gebouwd door woningbouwvereniging St. Jan Baptist.

Toch kregen de bouwverenigingen weinig medewerking van de gemeente. Vooral burgemeester Rens was een fel tegenstander. Hij vond deze instellingen ‘zeer, zeer schadelijk en niet nodig. Ze beangstigen de bouwondernemers en werken het particuliere initiatief tegen’. Op 30 mei 1919 fuseerden de twee woningbouwverenigingen met de gemeente onder de naam R.K. Woningbouwvereniging St. Jan Baptist. Het bestuur zou bestaan uit zeven leden, waarvan er drie door de gemeente benoemd werden.

Het eerste bouwproject van deze nieuwe vereniging kwam tot stand in 1920 met een lening van 50.000 Gulden van de Boerenleenbank. Er werden 25 woningen gebouwd aan de Hoogstraat, St. Jansstraat, Wildplein en Spinnerijstraat. Ook werden plannen ontwikkeld voor de bouw van 28 woningen aan de Akkerstraat en twaalf woningen aan de verlengde Kalverstraat (later bekend als De Twaalf Apostelen aan het Oranjeplein).
Na 1922 werd noch door de vereniging, noch door de gemeente gebouwd. In 1938 werd besloten de woningbouwvereniging St. Jan op te heffen en het woningbezit over te dragen aan de gemeente. Het totale bestand van de gemeente bestond toen uit 110 huurwoningen. Vlak voor de oorlog zou na de bouw van de Theresiaschool de Van Hessen Kasselstraat worden aangelegd en in de Kerkakkers het Oranjeplein.

1groeneweg
Sociale woningbouw aan de Groeneweg. De huizen werden afgebroken in 1976. Op de achtergrond de molen van de familie De Visscher en de fabrieksschoorsteen van de firma Van Besouw.

Na de Tweede Wereldoorlog was de vraag naar woningen zeer groot: ten eerste door de vernielingen tijdens de beschieting van Goirle en ten tweede door het grote aantal trouwlustigen. Toch kon direct na de oorlog slechts de bouw van 10 noodwoningen gerealiseerd worden. Even later, tussen 1946 en 1952, zullen twee uitbreidingsplannen verwezenlijkt worden die oorspronkelijk Kerkakkers (de prinsessenstraten bij het Oranjeplein) en Wildakkers (de wethouderstraten) heetten.

Toen eenmaal besloten werd tot de bouw van de parochiekerk Maria Boodschap even ten noorden van de kom van het dorp, werd daar een uitbreiding gepland in samenwerking met de Provinciale Planologische Dienst. Op de eerste plaats werd de bebouwing langs de Tilburgseweg afgestemd op de reeds aanwezige villabouw en werd een duidelijke afscheiding tussen de kommen van Goirle en Tilburg beoogd. Op de tweede plaats werden een aantal landarbeiderswoningen geprojecteerd in de buurtschap Hoogeind. Dit laatste ging niet door. Wel kwam in dit kader de burgemeester Rensstraat tot stand. De volgende uitbreiding in de parochie Maria Boodschap vond pas plaats in de jaren 1957-1959 door de aanleg van de Van Malsenstraat en de Burgemeester Voskens-, Philipsen-, en Van Gorpstraat.
Tot 1960 bestond het beleid van het gemeentebestuur uit het bieden van woon- en werkgelegenheid voor de eigen bevolking, wat betekende dat er voornamelijk voor arbeiders gebouwd werd. Veelzeggend is dat er tussen de jaren 1935-1949 194 arbeiderswoningen gebouwd werden tegen slechts 2 boerderijen, 10 middenstandswoningen en 13 villa’s en herenhuizen.

De geschiedenis van Goirle is beknopt beschreven.

De tekst komt uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, ‘Een eeuw Goirle 1870-1970’ (Goirle, Boekhandel Soeters, 1992), 200 blz. ISBN 90-801208-1-2 (copyright).