Geschiedenis in vogelvlucht

De naam Goirle is samengesteld uit de woorden ‘goer’ (goir) en ‘loo’. Het eerste betekent moeras of drassige grond, het tweede bos of open plek in het bos. Als familienaam komen we Goirle reeds in 1214 tegen in de persoon van ridder Gerhard van Gorle, die behoorde tot de vazallen van Hendrik I, hertog van Brabant. Verder kennen we uit de dertiende en veertiende eeuw de ridders Jan en Wouther van Goerle.

De familie Van Goerle zou dezelfde familie zijn als de Goirlese familie De Bie, die ook genoemd wordt in de dertiende eeuw. Later vinden we het wapen van deze geslachten, een gekanteelde en tegengekanteelde balk, terug in het wapen van de zeer oude Goirlese familie Soffaerts en op het alliantiewapen dat we aantreffen op de grafsteen van pastoor Peter van Dun in de St. Janskerk.
Als plaatsnaam wordt Goirle voor het eerst genoemd in een charter uit 1298, waarin sprake is van de Ludensvoirt te Goirle, in een oorkonde uit 1312 betreffende het goed Ter Loo op Abcoven aan de Leij en in 1315 als in een charter het goed Ter Venne genoemd wordt.

Oude Sint Janskerk Goirle
De oude St. Janskerk. Fragment van een perkamenten manuscriptkaart van landmeter Roelof van der Vleuten, vervaardigd op verzoek van “de regeerders van Riel”. Het is een onderdeel van een procesdossier voor de Raad van Brabant tussen Riel en de heerlijkheid Tilburg en Goirle over de “vercochte, uijtgegeven ende nieuwe ingegraven erve” in het grensgebied tussen Goirle, Riel en Tilburg.

Opgravingen, gedaan bij de afbraak van de oude parochiekerk in 1896, toonden de aanwezigheid aan van een kerkje in de 12e eeuw, maar in die tijd maakte het kleine kerkdorpje deel uit van de heerlijkheid Tilburg. We kunnen zelfs spreken van Groot-Tilburg, want deze heerlijkheid omvatte een groot deel van Midden-Brabant. De heren van Groot-Tilburg waren de Giselberten, die zich regelmatig in het gevolg van de hertogen van Neder-Lotharingen bevonden, maar kort na 1200 hun rechten kwijtraakten aan de hertogen van Brabant Zo werd Tilburg en Goirle hertogelijk domein.

Hieraan kwam een einde toen beide plaatsen in 1387 in pandleen werden gegeven aan de Bossche hoogschout Pauwels van Haestrecht met behoud van de oude rechten van de bevolking. Uit een privilege van 1342 blijkt namelijk dat onder de Giselberten een zogenaamde ‘eninge’ van Tilburg en Goirle bestond, dit is een territorium waarbinnen een en hetzelfde recht gold voor alle inwoners of ‘geburen’. In 1395 werden deze rechten nog eens bevestigd en zelfs uitgebreid met de vrijstelling van maaldwang en van de belasting op hop. In 1453 kwam een einde aan de eninge wegens ingeslopen misbruiken. De heren van de heerlijkheid , die reeds vanaf 1387 vertegenwoordigd werden door het gemeentebestuur , kregen nu het recht van de instelling van een schepenbank . Voortaan zou het recht van de stad ‘s-Hertogenbosch ook gelden voor de   heerlijkheid Tilburg en Goirle. In Den Bosch konden de schepenen advies vragen en kon men voortaan in beroep gaan tegen vonnissen, uitgesproken door de Tilburgse schepenbank. In deze schepenbank zetelden steeds twee schepenen uit Goirle, die met de Tilburgse collega’s vergaderden over de zaken die de heerlijkheid betroffen. Goirle droeg 1/6 deel van de financiële lasten van de heerlijkheid.

Kaart van Goirle getekend door J. Kuijper. Goirle was toen 2544 bunder groot en telde 1425 inwoners.
Kaart van Goirle getekend door J. Kuijper. Goirle was toen 2544 bunder groot en telde 1425 inwoners.

De Goirlese schepenen mochten samen besluiten nemen als het alleen Goirlese aangelegenheden betrof, daar Goirle en Tilburg aparte dorpen bleven met eigen instellingen. Goirle bleef een dorp met eigen financieel beheer, dus een eigen dorpsrekening, die werd gecontroleerd of ‘afgehoord’ door de  gemeentebestuur,   schout, als vertegenwoordiger van de heer van de heerlijkheid en door de twee Goirlese schepenen. Goirlese burgemeesters werden belast met het beheer van de dorpsfinanciën. Opdrachten tot betalingen uit de dorpskas kregen zij van de schepenen , die ook de akten opmaakten met betrekking tot Goirle. Daarnaast kende het dorp een eigen armbestuur de zogenaamde H. Geest-armen.

Reeds in 1795 bestonden er plannen om Goirle van Tilburg te scheiden, maar hiertegen werd door beide plaatsen geprotesteerd. Pas in 1803 werd het dorp een zelfstandige gemeente met een bestuur dat bestond uit drie leden en twee gecommitteerden uit de gemeente. Wat de rechtspraak betreft, kwam Goirle voor criminele zaken onder Den Bosch, maar voor civiele aangelegenheden onder ‘het schoutambt Tilburg’. Schout W.A. Dams had zitting in zowel het Tilburgse als het Goirlese gemeentebestuur. In de plaats van het schoutambt kwam er na 1810 een vredegerecht en in 1838 het kantongerecht, wat een complete scheiding betekende tussen bestuur en rechtspraak.

Een en ander betekende dat ook na 1803 nog veel Goirlese zaken terechtkwamen in de Tilburgse archieven. In 1858 verklaarde het Goirlese gemeentebestuur aan de commissaris van de koning dat Goirle ‘tot 1810 een onderdeel van Tilburg heeft uitgemaakt’ en dat er geen archieven van voor dat tijdstip aanwezig zijn. Later wordt verklaard dat het oudste ‘charter’ aanwezig in het gemeentearchief dateert uit 1812 en het een proces-verbaal betreft van de grensscheiding tussen Goirle en de omliggende gemeenten.

De geschiedenis van Goirle is beknopt beschreven.
De tekst komt uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, ‘Een eeuw Goirle 1870-1970’ (Goirle, Boekhandel Soeters, 1992), 200 blz. ISBN 90-801208-1-2 (copyright).