Gemeentelijke instellingen

In december 1905 werd ten huize van wethouder G. van Besouw een vergadering belegd om te komen tot een betere verlichting, waarbij gedacht werd aan gas in plaats van petroleum. Er werd aansluiting met Tilburg gezocht, maar volgens het slotrapport van een commissie, belast met de uitvoering van dit plan, was dit niet mogelijk. Besloten werd om dan maar zelf steenkoolgas te gaan produceren; daarvoor werd in 1907 een terrein gekocht van A. Boomaars bij het goederenstation in de Fabriekstraat. De gashouder werd geleverd door de gebroeders Deprez uit Tilburg en op 19 december 1907 was de bouw gereed. Chef-Gasmeester werd de 21-jarige Hubert Klessens, beambte aan de gasfabriek te Tilburg, ‘hoewel jong, toch zijnde ijverig, eerlijk en alleszins een net jongmensch met veel werklust’. In 1934 werd hij opgevolgd door H.C. Verkerk.

Een van de in 1963 gesloopte gashouders van de gemeentelijke gasfabriek aan de Fabrieksstraat. Op de ijzeren platen zijn de sporen nog zichtbaar van beschietingen bij de bevrijding van Goirle in oktober 1944.
Een van de in 1963 gesloopte gashouders van de gemeentelijke gasfabriek aan de Fabrieksstraat. Op de ijzeren platen zijn de sporen nog zichtbaar van beschietingen bij de bevrijding van Goirle in oktober 1944.

In 1959 werd van het zelf produceren van gas overgegaan op het betrekken van mijngas van de staatsmijn Maurits te Geleen-Lutterade. Omdat de oude gashouders niet meer voldeden werden zij in januari 1962 vervangen door drie nieuwe. In 1967 besloot de gemeenteraad tot omschakeling op aardgas.

Pas op 13 september 1930 werd Goirle officieel aangesloten op de Tilburgse waterleiding. Daarvóór kon het publiek water gaan halen bij een aantal gemeentelijke drinkwaterpompen. De eerste werd in 1881 geplaatst in de Kerkstraat ‘ter voorkoming van verspreiding van den heerschenden typhus’. In 1914 stonden er ook nog pompen bij de kerk, de Fabriekstraat en de Dwarsstraat.

Bij de opening van de waterleiding voor Goirle op 13-09-1930. v.l.n.r.: met jas over arm, van Aken (gemeente ontvanger); kaal hoofd, Schellekens (raadslid); A. van Puijenbroek met baardje (de Geitenvogel); met openingssleutel, Adrianus Smits (gem. secretaris); met bril, burgemeester van Ginneken; Jan van Dam (veldwachter); met zakdoekje in borstzak, Arnoud Appels; Harrie Smits; Arnoud Appels; H.C.J. Klessens geb. 24-12-1885 overl. 14-05-1932
Bij de opening van de waterleiding voor Goirle op 13-09-1930. v.l.n.r.: met jas over arm, van Aken (gemeente ontvanger); kaal hoofd, Schellekens (raadslid); A. van Puijenbroek met baardje (de Geitenvogel); met openingssleutel, Adrianus Smits (gem. secretaris); met bril, burgemeester van Ginneken; Jan van Dam (veldwachter); met zakdoekje in borstzak, Arnoud Appels; Harrie Smits; Arnoud Appels; H.C.J. Klessens geb. 24-12-1885 overl. 14-05-1932

Nadat professor Van Swaaij op 26 mei 1914 in hotel De Kroon een lezing had gehouden over elektriciteit, besloot de raad om stroom te gaan betrekken van de PNEM, tot grote ergernis van de fabrikanten, die tegen een veel lager tarief stroom betrokken van het Gemeentelijk Electriciteitsbedrijf van Tilburg.

De vuilnisophaaldienst

De overschakeling van het ophalen van huisvuil met paard en kar naar een vuilnisauto. Oud en nieuw staan hier naast elkaar. Links de vuilniswagen met Therus Moonen op de bok, rechts de moderne vuilnislwagen met Frans van de Camp en Sjef van Loon en in de cabine F. van Loon.
De overschakeling van het ophalen van huisvuil met paard en kar naar een vuilnisauto. Oud en nieuw staan hier naast elkaar. Links de vuilniswagen met Therus Moonen op de bok, rechts de moderne vuilnislwagen met Frans van de Camp en Sjef van Loon en in de cabine F. van Loon.

In de 19e eeuw was er geen sprake van gemeentelijke bemoeiing met de verwerking van afval. Pas in 1916 werd het voorstel van E. van Puijenbroek in de raad behandeld, om voor 60 Gulden per jaar eenmaal per week het straatvuil op te laten ruimen. Hiermee ging de raad niet akkoord. Besloten werd om de mest op straat zelf te gaan verzamelen en die te gebruiken waarbij gedacht werd aan de bemesting van de pas geplante bomen aan de Abcovenseweg. Nadien kwam er een vuilnisophaaldienst, die tegen een kleine vergoeding afval en vuil verwijderde. Toen de gemeente in 1948 de kosten van deze dienst voor eigen rekening nam, werd door de bevolking een toenemend gebruik gemaakt van deze voorziening. Pas in januari 1961 werd een vuilnisauto in gebruik genomen en werden in Goirle uniforme vuilnisbakken ingevoerd.

De vrijwillige brandweer

Bij de bouw van het raadhuis in 1838 werd rekening gehouden met de berging van de brandspuit door de bouw van het brandspuithuisje. Nadat het gemeentebestuur in 1910 elders een onderkomen had gevonden, werd het pand uit 1838 verbouwd tot twee woningen met daartussenin een ruimte voor de berging van de brandblusmiddelen. Deze toestand bleef bestaan tot 1953, toen de linkse woning werd omgebouwd tot brandweerkazerne.

In 1895 kwam Hendrik van Puijenbroek in de raad met het voorstel om de fabrikantenzonen tot brandmeesters te benoemen ‘omdat het werkvolk onder toezicht van hen gewilliger hulp zal verlenen’. Brandmeester was toen zijn neef Adrianus Hubertus van Puijenbroek, alias de geitenvogel, die tegenover het brandspuithuisje woonde en als teken van waardigheid een brandblusemmer tegen zijn huisgevel had hangen.

Adrianus van Puijenbroek uit de Kerkstraat te Goirle. Beter bekend als "Jaon Pui, de Geitenvogel". Hij was rijk gedecoreerd, o.a. met: de medaille van de H. Familie, het kruis van verdienste van de brandweer (brandmeester), het ereschild van de schutterij.
Adrianus van Puijenbroek uit de Kerkstraat te Goirle. Beter bekend als “Jaon Pui, de Geitenvogel”. Hij was rijk gedecoreerd, o.a. met: de medaille van de H. Familie, het kruis van verdienste van de brandweer (brandmeester), het ereschild van de schutterij.

Volgens het gemeenteverslag van 1918 bestonden de brandblusmiddelen in die tijd uit twee grote brandspuiten en een kleine brandspuit, bevestigd op een kruiwagen. De meeste brandweerlieden waren ambachtslieden, die makkelijk tijd vrij konden maken.

Volgens het gemeenteverslag van 1918 bestonden de brandblusmiddelen in die tijd uit twee grote brandspuiten en een kleine brandspuit, bevestigd op een kruiwagen. De meeste brandweerlieden waren ambachtslieden, die makkelijk tijd vrij konden maken.
Volgens het gemeenteverslag van 1918 bestonden de brandblusmiddelen in die tijd uit twee grote brandspuiten en een kleine brandspuit, bevestigd op een kruiwagen. De meeste brandweerlieden waren ambachtslieden, die makkelijk tijd vrij konden maken.

Tot vandaag de dag bestaat het brandweerkorps van de Gemeente Goirle uit vrijwilligers. Het korps is wel opgegaan in een regionaal brandweerkorps onder leiding van een beroeps brandweercommandant. De kazerne is nog steeds gevestigd aan de Kerkstraat.

De gemeenteveldwachters

Vanaf 1803 kreeg Goirle als plattelandsgemeente een gemeenteveldwachter voor het handhaven van orde en veiligheid. In de vorige eeuw werden er door het gemeentebestuur geen hoge eisen gesteld voor de vervulling van dit ambt. De criminaliteit in Goirle was niet erg hoog en eens werd zelfs een sollicitant aangesteld die ‘wegens een onderstane ziekte niet meer bekwaam is veel en zware arbeid te verrichten’. Dit gebeurde vooral ‘in het belang van de arme kas der gemeente’.

Jan W. van Dam, sinds 1803 de 10e Gemeenteveldwachter sinds de onafhankelijkheid van Goirle. Hij was Gemeenteveldwachter van 1925 tot 1934. Zijn voorgangers waren Jacob van den Foelaert, Hendrik Schouten, J.B. van Erven, A. Brekelmans, C.A. Dujardin, Jan Legius, J.C. Peters, M.C. van de Sande en C. van Beek. Van Dam werd op zijn beurt in 1934 opgevolgd door W.J. Jansen
Jan W. van Dam, sinds 1803 de 10e Gemeenteveldwachter sinds de onafhankelijkheid van Goirle. Hij was Gemeenteveldwachter van 1925 tot 1934. Zijn voorgangers waren Jacob van den Foelaert, Hendrik Schouten, J.B. van Erven, A. Brekelmans, C.A. Dujardin, Jan Legius, J.C. Peters, M.C. van de Sande en C. van Beek. Van Dam werd op zijn beurt in 1934 opgevolgd door W.J. Jansen

Anders werd het als de sollicitant zelf te hoge eisen ging stellen. In 1925, na het vertrek van veldwachter C. van Beek, solliciteerde Cornelis Johannes van Rooij naar deze functie. Van Rooij was veldwachter in Stiphout en de burgemeester daar zag hem niet graag vertrekken. Van Rooij trok daarop zijn sollicitatie in, ‘vooral nadat de plaatselijke toestanden in Goirle hem bekend waren geworden’. Burgemeester Rens reageerde op deze brutaliteit met een zeer hatelijke brief; ‘u meent zeker dat gij hier een leidende positie zoudt hebben en dat u minstens naast mij de gemeente zoudt besturen. Het spijt mij, zulks is niet het geval. Ik heb een gewone veldwachter nodig.’ De opvolger van Van Beek werd J.W. van Dam, agent van politie in Tilburg. Na hem werd in 1934 W.J. Jansen aangenomen als gemeenteveldwachter. Deze, in de oorlog zeer beruchte NSB’er, wordt bij zijn benoeming omschreven als ‘een buitengewoon rustig, beleefd, welwillend, doch resoluut man’.

Rijksveldwachter Aarts
Rijksveldwachter Aarts

Naast de gemeenteveldwachters kende Goirle nog enkele onbezoldigde rijksveldwachters die dezelfde taak hadden, maar de samenwerking was slecht. Na de oorlog zouden de veldwachters vervangen worden door de rijkspolitie, die de voormalige pastorie aan de Bergstraat betrok tot 1958. In dat jaar verhuisden zij naar een nieuw kantoor aan de Van Hessen Kasselstraat. Eind zeventiger jaren is het bureau aan de Van Hessen Kasselstraat gesloten en bij de overgang van Rijkspolitie naar Gemeentepolitie is een nieuw bureau betrokken aan de Dorpsstraat.
Na de reorganisatie van de politie is er geen politiebureau meer in Goirle maar wel een politiepost gevestigd in het voormalige Wit-Gele kruisgebouw aan de Thomas van Diessenstraat. Goirle beschikt nu over een team van wijkagenten.

De geschiedenis van Goirle is beknopt beschreven.

De tekst komt uit: Jef van Gils en Ronald Peeters, ‘Een eeuw Goirle 1870-1970’ (Goirle, Boekhandel Soeters, 1992), 200 blz. ISBN 90-801208-1-2 (copyright).