De wevers en fabrikanten

Een van de oudste takken van nijverheid in Goirle was de fabricage van kaatsballen. In de l6e eeuw werden deze ballen ook elders in Midden- Brabant gemaakt, maar in de 17e eeuw werd Goirle steeds belangrijker en waren er contacten met zowel de Noordelijke als de Zuidelijke Nederlanden.

Gereedschappen gebruikt bij het maken van kaatsballen te Goirle
Gereedschappen gebruikt bij het maken van kaatsballen te Goirle

Dat het om enorme aantallen ging, blijkt wel uit het feit dat van maart 1655 tot april 1656 via Baarle-Nassau maar liefst 40.000 kaatsballen werden uitgevoerd. Vooral de familie Van Wijck speelde in die tijd een belangrijke rol in het productieproces; ook de handelaren uit de 18e en 19e eeuw, de families Van Dun, Van Besouw en Naaijkens, stamden af van de familie Van Wijck.

Bestelling uit Amsterdam van 10.000 kolfballen bij de Goirlese schepen en kaatsballenhandelaar Willem van Dun.
Bestelling uit Amsterdam van 10.000 kolfballen bij de Goirlese schepen en kaatsballenhandelaar Willem van Dun.

De bloei in de 17e eeuw werd nooit meer geëvenaard en na een kleine opleving in de handel rond 1850, was het in de jaren 1870/71 plotseling afgelopen met de fabricage van kaatsballen. De laatste full-time ballenmaker, Frans Eijsermans, overleed in 1871 en fabrikant Laurens Naaijkens in 1872, terwijl fabrikante Maria Petronella van Besouw-de Groot in dat jaar 76 jaar werd. In het gebied waar de kaatssport nog populair was, Friesland, hadden plaatselijke schoenmakers de produktie ter hand genomen volgens het Goirlese procédé; bovendien verdiende een Goirlese wever in die tijd opmerkelijk meer dan een kaatsballenmaker.

De textielnijverheid nam trouwens een steeds belangrijkere plaats in, in de Goirlese samenleving. Reeds in 1665 was 15% van de Goirlese beroepsbevolking spinner of wever, in 1797 was 31% werkzaam in de textiel.

Er werd toen in Goirle voornamelijk grof linnen geweven, dat ook wel met de naam ‘spoel’ werd aangeduid. In de eerste decennia van de 19e eeuw kreeg ook Goirle te maken met de landelijke malaise,

die volgde op het herstel van de nationale onafhankelijkheid. Volgens burgemeester Voskens woonde er in die periode een zeer grote groep behoeftigen, ‘meestal linnenwevers en spinners, die een armoedig bestaan lijden en doorgaans veel kinderen hebben, welke zij, om het sobere kostje te winnen, zeer jong tot spinnen moeten en kunnen gebruiken, waardoor dezelven van onderwijs verstoken blijven’.

Willem van Gorp werd geboren te Goirle op 24 april 1868 en was thuiswever van beroep. In 1892 trouwde hij met Maria (Marie) Broers, geboren te Goirle op 18 oktober 1869. Willem zit op deze foto aan een breed weefgetouw. In de hoek een bedje met een kind, links zijn vrouw. Willem was 'courantenbezorger' van beroep, toen hij te Goirle op 27 september 1928 overleed.
Willem van Gorp werd geboren te Goirle op 24 april 1868 en was thuiswever van beroep. In 1892 trouwde hij met Maria (Marie) Broers, geboren te Goirle op 18 oktober 1869. Willem zit op deze foto aan een breed weefgetouw. In de hoek een bedje met een kind, links zijn vrouw. Willem was ‘courantenbezorger’ van beroep, toen hij te Goirle op 27 september 1928 overleed.

Toen in 1830 de Belgische Opstand uitbrak, kwam er meer geld in omloop door de inkwartiering van soldaten. De winkels zagen hun omzet stijgen en de soldaten verteerden hun soldij in de herbergen. Ook voor bakkers, voerlieden, smeden en andere ambachtslui viel er meer te verdienen, wat directe gevolgen had voor de Goirlese textielnijverheid. Juist de inwoners die kans gezien hadden om tijdens de Belgische Opstand wat extra te verdienen, konden met hun kapitaal op grote schaal grondstoffen als garens inkopen en zo de werkgevers worden van de wevers. Zelf gingen zij als linnenkoopman met de eindprodukten de markten af, terwijl thuis nog inkomsten verkregen werden door het houden van een herberg of winkel, wat de gedwongen winkelnering in de hand zou werken. Kort na de opstand werden de eerste bedrijven opgericht, in 1843 de blekerij voor linnen en pellen van Willem van Enschot en in 1847 de firma P. & W. van de Lisdonk ‘bepaaldelijk ten doel hebbende het fabriceeren van linnen en pellen, tafelgoederen en andere daarmede gelijkstaande stoffen’.

Rond 1850 werd een half miljoen el ( 1 el = 69,2 cm) linnen per jaar geweven voor Goirlese opdrachtgevers; in 1857 hadden zij 275 mannen en 156 vrouwen en kinderen in dienst, waarvan 380 personen buiten de manufacturen en werkplaatsen.

De bedrijvigheid zou nog verder toenemen door de hoogconjunctuur in de linnennijverheid in de jaren 1861-1865. De Amerikaanse burgeroorlog bemoeilijkte de invoer van katoen, waardoor de prijs van deze grondstof zo steeg, dat de vraag naar linnen verdubbelde. In deze periode werd door de latere Goirlese fabrikanten het beginkapitaal vergaard, waarvan na 1870 de fabrieken gebouwd konden worden.

In 1870 was 67,8% van de gezinshoofden in Goirle werkzaam in de textielnijverheid, maar zij hebben niet direct geprofiteerd van de hoogconjunctuur. Wel konden zij in de laatste decennia van de l9e eeuw gaan werken in de Goirlese fabrieken, waar hogere lonen verdiend werden dan in de thuisweverij en het loon bovendien in contanten werd uitbetaald en niet langer in bonnen, die alleen in de winkels van de werkgevers verzilverd konden worden. Voor de werkgevers betekenden de mechanisatie en de centralisatie van de arbeiders een betere controle op arbeid, produktie en grondstoffenverbruik.

De macht van de kleine groep fabrikanten in Goirle werd in de loop van de 19e eeuw steeds groter. Zij gingen de dienst uitmaken in gemeente- kerk- en armbestuur. Hun vrouwen droegen niet langer de Brabantse klederdracht, hun kinderen gingen naar een kostschool en door het bouwen van grote herenhuizen en villa’s gaven zij uiting van hun financiële welstand. Rond 1950 werd van de Goirlese industriëlen gezegd dat zij zeer standbewust waren, ‘zij zonderen zich af en houden zich buiten de dorpsgemeenschap voor zover geen afbreuk wordt gedaan aan verplichtingen ten opzichte van oude gemeenschapsvormen zoals de buurtgemeenschap. Zij vormen een gesloten groep, maar treden wel naar voren in kerk en politiek’.

1905 personeel van besouw
Personeel van de N.V. Stoomweverijen v/h Firma G. van Besouw (1905)

De arbeiders organiseren zich

Pas rond de eeuwwisseling kwam de emancipatie van de arbeiders op gang, vooral door de invloed van Jan Baptist van Besouw, een werkgever die geïnspireerd door de pauselijke encycliek ‘Rerum Novarum’, er alles aan deed om, op de eerste plaats, het lot van zijn eigen werknemers te verbeteren. In zijn bedrijf werden de werktijden verkort en werd een gedeelte van de winst uitgekeerd aan de arbeiders. In het algemeen belang van deze groep werd de corporatie Rerum Novarum opgericht, waarvan de statuten op l3 april l897 kerkelijk werden goedgekeurd. Doel was de goede verstandhouding tussen patroons en werklieden te regelen, de godsdienstige en maatschappelijke belangen van de leden te bevorderen en hen tegen sociale dwalingen en noden te beveiligen. De corporatie trachtte dit doel te bereiken door de bestrijding van het drankmisbruik, het bevorderen van het schoolbezoek van de kinderen van de leden, de instelling van spaarkassen en ondersteuningsfondsen, het zorgen voor vermaak en ontspanning, de verspreiding van passende lectuur en de oprichting van een coöperatieve winkel.

Voorzijde van de fabriek van de firma Van Besouw aan de Kerkstraat. Het verenigingsgebouw Rerum Novarum maakte voorheen deel uit van het fabrieksgebouw.
Voorzijde van de fabriek van de firma Van Besouw aan de Kerkstraat. Het verenigingsgebouw Rerum Novarum maakte voorheen deel uit van het fabrieksgebouw.

Door 25 werknemers van Van Besouw werd op 19 september 1900 de vakbond in Goirle opgericht, het St. Jozefgilde, dat in november van dat jaar reeds 88 leden telde, ondanks de tegenwerking van pastoor Crefcoeur. Later kwam de ‘R.C. Meisjes Textiel Vereeniging St. Lidwina Goorle’ tot stand. In 1916 ging het St. Jozefgilde op in de landelijke vakbond voor textielarbeiders, St. Lambertus.

Na de stakingen zou het aantal thuiswevers snel afnemen. Zo werkte de firma wed. P. Snels & Zn. uitsluitend met handwevers, maar in 1909 werd hiermee gestopt en begonnen de firmanten een groothandel in textielwaren. Een van de laatste werkgevers die uitsluitend thuiswevers in dienst had, de firma A. Spapens-Huijbregts, ging over tot liquidatie van haar bedrijf op 1 december 1920.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog was er weinig werk door het tekort aan grondstoffen, maar pas in het voorjaar van 1915 werd een ‘gemeentelijk fonds werkeloosheid’ ingesteld. In augustus 1924 kwam er vanuit de gemeente een financiële regeling voor werkelozen tot stand, die bestond uit tien gulden steun per week voor gehuwde werkelozen en een toeslag van 75 cent voor ieder schoolgaand kind beneden de zestien jaar.

In de crisistijd was er in de jaren 1930/31 nog volop werk in de Goirlese fabrieken. Daarna nam de werkeloosheid echter grote vormen aan, vooral door de sluiting van de Goirlesche Jutespinnerij. Een oplossing werd gezien in de werkverschaffing, die hoofdzakelijk bestond uit ontginningsprojecten. Op 1 april 1933 waren 186 Goirlenaren op deze projecten te werk gesteld. In augustus 1939 zaten nog 132 mannen in de werkverschaffing. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd door slechts drie bedrijven de fabricage stilgelegd: de H.T.I., Tilkamwol en De Vries’ Zakkenweverij.

De werkelozen uit deze bedrijven vonden werk in de gemeentebossen of op de boerderijen.

De kentering

Materieel bleef het bestaan van de werknemers in de textielnijverheid marginaal en kansarm. Nijdam verklaart dat vóór 1939 het merendeel van de Goirlese jeugd uit de arbeidersgezinnen, nadat zij de lagere school had verlaten, in de fabriek terechtkwam; vaak het bedrijf waar ook het gezinshoofd werkzaam was. Tijdens en na de oorlog zien we een kentering. Vooral fabrieksmeisjes zochten een beter betaald beroep of een beroep dat hoger in aanzien stond, bijvoorbeeld dienstbode. Bovendien zou er een slechte invloed uitgaan van de Belgische arbeidsters, die na de oorlog in toenemende mate werk zochten in Goirlese fabrieken. Werkten er voor de oorlog amper twintig Belgen in Goirle, na de oorlog liep dit getal op tot ongeveer vijfhonderd.

Een oorzaak hiervan was, dat de Goirlese arbeiders steeds minder voelden voor een baan in de textielnijverheid. Voor de oorlog werkte nog 60% van de beroepsbevolking in de textielfabrieken, in 1947 was dat nog maar 38,1%.

In de loop van de zestiger jaren bleek steeds duidelijker dat de Goirlese textielnijverheid in het slop dreigde te raken. Een van de oudste firma’s, W. van Enschot & Zonen, sloot haar poorten in 1967. Daarna volgden de N.V. Tilkamwol en de N.V. Pijnenburg. De H.T.I. aan de Parallelweg werd in 1976 omgezet in Goirle Textiel B.V., maar deze firma zou al een jaar later worden geliquideerd. Ook een aantal kleinere bedrijven waren inmiddels opgeheven zoals de weverij P. van de Pol & Zn., katoenweverij G.H. van Dun en wollenstoffenweverij N.V. de Kempen.

Interieur van de Pijnenburg's Weverijen N.V. in de zestiger jaren
Interieur van de Pijnenburg’s Weverijen N.V. in de zestiger jaren

Door het verdwijnen van de traditionele werkgelegenheid daalde het aantal in Goirle werkzame arbeiders drastisch. In 1960 boden de Goirlese bedrijven met meer dan tien werknemers werk aan 2157 personen. In 1972 was dat gedaald tot 1561 personen. Dit ondanks het feit dat de gemeente rond 1960 het gevaar van de eenzijdige werkgelegenheidsstructuur onderkende en zich ging toeleggen op een actievere industrialisatiepolitiek. Tussen de Nieuwkerksedijk en de Poppelseweg kwam toen een industrieterrein tot stand met gevarieerde bedrijven.

Een ander verschijnsel was, dat Goirlese werknemers in toenemende mate werk zochten in Tilburg. In 1960 werkte slechts 28,3% van de beroepsbevolking in Tilburg, in 1971 was dat gestegen tot 57,5%. Goirle werd dus in die jaren als woongemeente steeds belangrijker. 

Stakingen, oorlogen en de crisistijd

In 1904 werd bij de firma Van Puijenbroek besloten dat de wevers in de zomerdagen maar drie dagen mochten werken en voor de andere dagen geen loon zouden ontvangen. Verder moesten alle oude wevers vóór 1 april 1915 de fabriek verlaten.